English (United States) Nederlands (Nederland)
Je bent hier:   Bedrijven > Geluid > Akoestisch onderzoek

Akoestisch onderzoek

Aandachtspunten akoestische onderzoeken tbv vergunningverlening (niet limitatief).

  • De representatieve bedrijfssituatie van de inrichting dient te worden onderzocht en dient nauwkeurig in het onderzoeksrapport te worden omschreven; de representatieve bedrijfssituatie vormt de basis van het akoestisch onderzoek.
  • De bedrijfssituatie van de inrichting in de niet-representatieve bedrijfssituatie (situatie gedurende minder dan 12 dagen in een jaar), dient in het akoestisch rapport te worden vermeld. Indien – volgens inzicht van het adviesbureau - sprake is van hogere geluidniveaus in de omgeving, dient ook voor de niet-representatieve bedrijfssituatie de optredende geluidniveaus op de beoordelingspunten te worden vastgesteld. Voor loonbedrijven dient onderscheidt te worden gemaakt tussen seizoensgebonden en niet-seizoensgebonden werkzaamheden.
  • Een duidelijke situatietekening dient onderdeel uit te maken van het akoestisch rapport; op de situatietekening dient in ieder geval te zijn aangegeven: de inrichting inclusief de terreingrenzen, nabijgelegen openbare verkeerswegen, de nabijgelegen woningen (met huisnummers), overige geluidgevoelige bestemmingen en de schaal van de situatietekening inclusief noordpijl.
  • Indien sprake is van een bestaande inrichting, dienen de huidige geluidvoorschriften in het akoestisch rapport te zijn vermeld.
  • Voor de gemeente Bunnik, Zeist, Vianen, De Bilt, Doorn en Maarn is gemeentelijk geluidbeleid van kracht of is deze in voorbereiding. Dit kan voor de geluidnormering van de betreffende inrichting gevolgen hebben. U dient hierover contact op te nemen met de Milieudienst Zuidoost-Utrecht.
  • Indien de geluiduitstraling in verschillende beoordelingsperioden plaatsvindt, dient de geluidsituatie per beoordelingsperiode te worden onderzocht.
  • Het akoestisch onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de “Handleiding meten en rekenen Industrielawaai” - HMRI 1999 methode II en de “Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening” – 1998. De geluidniveaus op de gevels van de omliggende woningen dient in de dagperiode te worden vastgesteld op een hoogte van 1,5 meter exclusief gevelreflectie en in de avondperiode op een hoogte van 5 meter exclusief gevelreflectie. Voor beoordelingspunten in het ‘vrije veld‘ dient een hoogte te worden aangehouden van 5 meter in dag-, avond- en nachtperiode. Indien sprake is van een flatcomplex, dient op alle woonlagen te worden gerekend. De rekenpunten dienen hierbij op 2/3 hoogte van de betreffende verdiepingslaag te worden gepositioneerd.
    Als het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een veranderingsvergunning of in het kader van een melding voor een AMvB-inrichting, kunnen afwijkende regels van toepassing zijn. Wij adviseren in deze situatie om vóór aanvang van het akoestisch onderzoek contact op te nemen met de Milieudienst Zuidoost-Utrecht. Ook indien sprake is van toetsing op een ‘bijzondere woning’ (bijvoorbeeld slaapkamers op begane grond en woonkamer op 1e verdieping) adviseren wij om vooraf contact op te nemen met de Milieudienst Zuidoost-Utrecht.
     
  • De geluidemissie van het bedrijf in alle richtingen dient te worden onderzocht. Hiertoe dienen beoordelingspunten te worden opgenomen voor alle nabijgelegen woningen rondom de inrichting, aangevuld met beoordelingspunten in het ‘vrije veld’ (bijvoorbeeld op 50 meter van de terreingrens) voor die richtingen waar geen woningen zijn gelegen.
  • De bronvermogens (en bedrijfsduur) in octaafbanden dienen in de rapportage te worden vermeld; bij voertuigbewegingen, losactiviteiten, etc. dient onderscheidt te worden gemaakt tussen het optredende equivalente niveau van de geluidbron LWr-LAeq en het optredende maximale niveau van de geluidbron LWr - Lmax. Dit dient duidelijk in het rapport (tekstgedeelte en bijlage) te worden vermeld.
     
  • Een berekening van de bedrijfsduurcorrectie Cb van voertuigbewegingen - op basis van de gemiddelde snelheid van het voertuig, het aantal puntbronnen, de routeafstand en het aantal voertuigbewegingen, dient in de bijlage te zijn opgenomen.
  • Indien in het kader van het akoestisch onderzoek geluidmetingen zijn uitgevoerd, dient in het rapport een opgave van de gebruikte meetapparatuur te zijn vermeld. Ook een opgave van de weersomstandigheden dient in het rapport te zijn vermeld.
  • Indien sprake is van geluiduitstraling vanwege een omhullende bouwkundige constructie (bijvoorbeeld bedrijfshallen), dient in de bijlage te worden opgenomen:
    • het geluidniveau binnen het gebouw;
    • de gehanteerde geluidisolatiewaarden voor de samenstellende delen van de bouwkundige constructie (gevel, dak, poort ed.), alsmede een bouwkundige omschrijving van de opbouw ervan (bijvoorbeeld: geprofileerde staalplaat, dik xx mm - minerale wol dik xx mm);
    • de berekening van de immissierelevante bronsterkte LWr van de uitstralende gevel- en dakdelen en van openingen;
  • De milieudienst adviseert om bij inrichtingen met een veelvoud aan activiteiten gebruik te maken van een akoestisch rekenmodel. Hierbij dienen alle relevante invoergegevens en rekenresultaten in de bijlagen te zijn opgenomen. Dit zijn:
    • een computertekening van het rekenmodel, met hierin de locatie van de objecten, bronnen en rekenpunten inclusief nummering;
    • een lijst met objecten, bronnen en rekenpunten met de bijbehorende relevante informatie als hoogten, bronvermogens, bedrijfsduurcorrectie, koppelingen, etc., etc.
    • een overzicht van de rekenresultaten per beoordelingspunt.
    • een overzicht met rekenresultaten, waarin de deelbijdragen van de bronnen per beoordelingspunt zijn opgenomen; het overzicht geeft inzicht in het vastgestelde LAmax niveau; indien sprake is van een groot aantal beoordelingspunten kan volstaan worden met een overzicht van de deelbijdragen van de bronnen op de drie meest maatgevende beoordelingspunten.
  • Indirecte hinder:
Het equivalent geluidniveau LAeq vanwege wegverkeer van en naar de inrichting dient te worden bepaald volgens de Circulaire Indirecte hinder – MBG96006131 van 29 februari 1996. Indien sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient onderzocht te worden of de geluidwering van de gevels van betreffende woningen zodanig is dat een binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde gegarandeerd is.

Datum actualisatie: 29 oktober 2009