Weg- en railverkeerslawaai
Door de wetgever wordt al geruime tijd gewerkt aan een gefaseerde modernisering van het instrumentarium geluidbeleid. In dit kader is in 2004 al een wijziging van de Wet geluidhinder van kracht geworden in verband met implementatie van EG-richtlijn nr. 2002/49/EG inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (geluidsbelastingkaarten en actieplannen).
Op 1 januari 2007 is een tweede wijziging van de Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Ook zijn het nieuwe Besluit geluidhinder, het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 en de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai in werking getreden.
Vaststellen hoger waarden door college van burgemeester en wethouders
De belangrijkste wijziging van de Wgh voor de gemeentelijke praktijk is dat de bevoegdheid om hogere waarden voor geluidsbelasting vast te stellen in de meeste gevallen is gedecentraliseerd naar de colleges van burgemeester en wethouders.
Onder de “oude” Wgh waren gedeputeerde staten bevoegd om hogere waarden vast te stellen. Op basis van de gewijzigde Wgh zijn burgemeester en wethouders in beginsel bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde (artikel 110a Wgh). Daarmee wordt de bevoegdheid op het bestuursniveau gelegd waar de verschillende belangen op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening het meest direct kunnen worden afgewogen. Dit betekent ook dat de verantwoordelijkheid voor het besluit tot vaststelling van een hogere geluidswaarde bij het college van burgemeester en wethouders ligt. Het vaststellen van hogere waarden zal in de meeste gevallen verband houden met een nieuw bestemmingsplan of een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
In de “oude” Wgh was in de bijbehorende Algemene Maatregelen van Bestuur opgenomen in welke gevallen een hogere waarde kon worden vastgesteld. In het nieuwe Besluit geluidhinder is dit niet gebeurd. Dit betekent dat het bevoegd gezag zelf zal moeten afwegen of een hogere waarde in het concrete geval acceptabel is en dat een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde dus extra goed gemotiveerd moet worden. In de toelichting bij het besluit is opgenomen dat het in dit kader zinvol kan zijn voor gemeenten om een eigen geluidbeleid te ontwikkelen dat als basis kan dienen voor de besluitvorming over de hogere waarden. Alle aangesloten gemeenten zijn voornemens om een eigen geluidbeleid op te stellen.
Burgemeester en wethouders mogen slechts een hogere waarde vaststellen indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting:
- Onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel
- Overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Voor het vaststellen van een hogere waarde is de Milieudienst Zuidoost-Utrecht gemandateerd door de gemeenten Utrechtse Heuvelrug en Vianen. De gemeente Bunnik voert deze procedure zelf uit. De Bilt en Zeist hebben nog geen besluit genomen.
Datum actualisatie: 28 oktober 2009