Inhoud
4.1 Algemeen
4.2 Toepassingsvoorwaarden bouwstoffen
4.3 Toepassingsvoorwaarden grond en baggerspecie
4.4 Toepassen van grond en baggerspecie
4.4.1 Toepassen grond en baggerspecie op landbodem, generiek beleid
4.4.2 Toepassen grond en baggerspecie op landbodem, gebiedspecifiek beleid
4.4.3 Toepassen grond en baggerspecie in oppervlaktewater
4.4.4 Toepassen grond en baggerspecie in oppervlaktewater, generiek beleid
4.4.5 Toepassen grond en baggerspecie in oppervlaktewater, gebiedspecifiek beleid
4.4.6 Toepassen grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen
4.5 Verspreiding baggerspecie
4.5.1. Verspreiden baggerspecie in oppervlaktewater
4.5.2 Verspreiden baggerspecie over aangrenzende percelen
(Terug naar Besluit bodemkwaliteit)
4.1 Algemeen
Om partijen grond, baggerspecie of bouwstoffen te mogen toepassen worden eisen gesteld aan de chemische kwaliteit. De kwaliteit wordt vastgesteld door onderzoek naar de chemische samenstelling en vastgelegd in een milieuhygienische verklaring (zie hoofdstuk 3 Kwaliteitsverklaringen). De kwaliteit wordt vervolgens getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Afhankelijk van het resultaat van deze toetsing kan de partij wel of niet worden toegepast op de ontvangende bodem. Meer informatie over toepassingsvoorwaarden is hieronder te lezen.
(Terug naar inhoud)
4.2 Toepassingsvoorwaarden bouwstoffen
Alle bouwstoffen die in Nederland worden vervaardigd, geïmporteerd, op de markt gebracht, opgeslagen, vervoerd, verhandeld of toegepast, moeten voldoen aan de normen van het Besluit. De normen voor bouwstoffen bestaan uit maximale waarden. De kwaliteit van een partij bouwstoffen moet worden aangetoond met een milieuhygiënische verklaring en een afleveringsbon. In de onderstaande tabel staan toepassingsvoorwaarden aangegeven.
Tabel 1: Toepassingsvoorwaarden bouwstoffen
|
Categorie
|
IBC-maatregelen |
Melden |
Min. hoeveelheid |
Gegevens kwaliteit |
Verwijderplicht |
| Vormgegeven |
Nee |
Nee* |
n.v.t. |
Op verzoek tonen (5 jaar) |
Ja |
| Nier-vorm-gegeven |
Nee |
Nee* |
n.v.t. |
Op verzoek tonen (5 jaar) |
Ja |
| IBC (niet in oppervlaktewater) |
Ja |
Ja (1 maand voor toepassing) |
5.000 m3 |
Bij melding (5 jaar) |
Ja |
* tenzij het hergebruik van bouwstoffen door dezelfde eigenaar betreft.
(Terug naar inhoud)
4.3 Toepassingsvoorwaarden grond en baggerspecie
Voor het toepassen van grond en baggerspecie kunnen de lokale bodembeheerders kiezen voor een gebiedsspecifiek beleid voor een generiek beleid of voor overgangsbeleid (maximaal 3 jaar). Met het gebiedsspecifieke beleid kunnen lokale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Wanneer geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld of geen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht, geldt automatisch het generieke beleid. Het toetsingskader hiervan is gebaseerd op een klassenindeling voor kwaliteit en functie. In figuur 1 zijn de functies en functieklassen aangegeven. Voor de bij de Milieudienst aangesloten gemeenten is gekozen voor het overgangsbeleid en - in gevallen waar deze niet van toepassing is - voor generiek beleid.
Figuur 1: Relatie tussen de zeven bodemfuncties (gebiedsspecifiek beleid) en de twee bodemfunctieklassen (generiek beleid).
|
Bodemfuncties
(gebiedsspecifiek beleid)
|
Bodemfunctieklassen
(generiek beleid)
|
| 1. Wonen met tuin |
Wonen
|
| 2. Plaatsen waar kinderen spelen |
| 3. Groen met natuurwaarden |
| 4. Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie |
Industrie
|
| 5. Moestuinen en volkstuinen |
(Kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden)
|
| 6. Natuur |
| 7. Landbouw |
(Terug naar inhoud)
4.4 Toepassen van grond en baggerspecie
4.4.1 Toepassen grond en baggerspecie op landbodem, generiek beleid
Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse Wonen en de Maximale Waarden voor de klasse Industrie. Deze Maximale Waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie. Zie figuur 2.
Figuur 2: Generieke normstelling voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem.
Uitgangspunt van het generieke beleid is dat de bodemkwaliteit moet aansluiten bij de functie van de bodem en dat de lokale bodemkwaliteit op klassenniveau niet mag verslechteren en waar mogelijk verbetert. Er wordt daarom getoetst aan de bodemkwaliteitsklassen van de ontvangende bodem én aan de bodemfunctieklassen van de ontvangende bodem. Hierbij geldt dat de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. Zie figuur 3.
Figuur 3: Bepaling van de toepassingseis in het generieke kader.

(Terug naar inhoud)
4.4.2 Toepassen grond en baggerspecie op landbodem, gebiedspecifiek beleid
Binnen het gebiedsspecifieke kader voor landbodems mag de gemeenteraad zelf voor een of meerdere stoffen normen vaststellen, die beter aansluiten bij de gewenste bodemkwaliteit en het daadwerkelijke gebruik van de bodem dan de Maximale Waarden van het generieke kader. De normen in het gebiedsspecifieke kader worden de Lokale Maximale Waarden genoemd. Zie figuur 4. In het gebiedsspecifieke kader wordt niet gewerkt met een klassenindeling. De kwaliteit wordt op stoffenniveau beoordeeld en voor de bodemfuncties wordt de onderverdeling in zeven bodemfuncties gebruikt, zoals te zien in figuur 1.
Figuur 4: Normstelling voor toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem in het gebiedsspecifieke kader.

Partijen grond mogen worden toegepast wanneer de partijen voldoen aan de Lokale Maximale Waarden die zijn vastgelegd in een Nota bodembeheer. Wanneer het is toegestaan om grond of baggerspecie toe te passen met een kwaliteit die slechter is dan de actuele kwaliteit, dan mag alleen gebiedseigen grond en baggerspecie worden toegepast (standstill-beginsel op gebiedsniveau). In het gebiedsspecifieke kader kunnen de Lokale Maximale Waarden per gebied verschillen. Een overzicht van de gebieden waar gebiedsspecifiek beleid van toepassing is kunt u vinden op www.biells.nl.
(Terug naar inhoud)
4.4.3 Toepassen grond en baggerspecie in oppervlaktewater
Bij toepassingen in oppervlaktewater wordt niet getoetst aan de functie, maar alleen aan de kwaliteit van de ontvangende waterbodem. Waterbodems kennen ook een andere klassenindeling dan landbodems. Daarnaast zijn de Interventiewaarden en het saneringscriterium voor waterbodems anders dan voor landbodems, omdat stoffen zich onder water anders gedragen dan boven water. Bij de Achtergrondwaarden is echter geen verschil tussen land- en waterbodems.
(Terug naar inhoud)
4.4.4 Toepassen grond en baggerspecie in oppervlaktewater, generiek beleid
In het generieke toetsingskader voor toepassing van grond en baggerspecie in oppervlaktewater is de waterbodemkwaliteit onderverdeeld in klasse A en klasse B. De Maximale Waarden zijn aan deze klassen gekoppeld. Bij de Maximale Waarden voor klasse B geldt voor het toepassen van grond een andere norm dan voor het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater. Bij toepassing van een partij grond geldt als bovengrens de Maximale Waarde voor klasse industrie. Voor toepassing van baggerspecie geldt als bovengrens de Interventiewaarde voor waterbodems. Een partij grond of baggerspecie kan worden toegepast in oppervlaktewater wanneer de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond of baggerspecie gelijk is aan of schoner is dan de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem. Zie figuur 5.
Figuur 5: Toepassingsmogelijkheden in het generieke kader.

(Terug naar inhoud)
4.4.5 Toepassen grond en baggerspecie in oppervlaktewater, gebiedspecifiek beleid
In het gebiedsspecifieke kader heeft de lokale waterkwaliteitsbeheerder Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Zie figuur 6 voor de normstelling. De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet bij het gebiedsspecifiek beleid voldoen aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden voor de waterbodem. Wanneer het is toegestaan om grond of baggerspecie in oppervlaktewater toe te passen met een kwaliteit die slechter is dan de actuele waterbodemkwaliteit, dan mag alleen gebiedseigen grond en baggerspecie worden toegepast (standstill-beginsel op gebiedsniveau).
Figuur 6: Normstelling voor toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater in het generieke en gebiedsspecifieke kader.

(Terug naar inhoud)
4.4.6 Toepassen grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen
Om het aanleggen van grote grondlichamen, zoals wegen, spoorwegen, terpen, dijken of geluidswallen, op een verantwoorde manier mogelijk te maken, is hiervoor een bijzonder toetsingskader opgesteld. Het is een keuzeoptie en geen verplichting. Er hoeft hierbij niet getoetst te worden aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Voorwaarde is, dat wordt voldaan aan de kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden van dit toetsingskader.
Figuur 7: Normstelling voor grootschalige toepassingen.

(Terug naar inhoud)
4.5 Verspreiding baggerspecie
4.5.1 Verspreiden baggerspecie in oppervlaktewater
Verspreiding in rivieren, meren en plassen vindt op kleine schaal plaats. In het generieke kader wordt gebruik gemaakt van de Maximale Waarden voor verspreiding in zoet oppervlaktewater. In het gebiedsspecifieke kader zijn Lokale Maximale Waarden vastgesteld door het bevoegd gezag. Er wordt getoetst aan de Generieke Maximale Waarden of aan de Lokale Maximale Waarden bij gebiedsspecifiek beleid. Daarmee is een toets aan de ontvangende waterbodemkwaliteit niet noodzakelijk.
Figuur 8: Generieke en gebiedsspecifieke normstelling voor verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater.

(Terug naar inhoud)
4.5.2 Verspreiden baggerspecie over aangrenzende percelen
Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:
- Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel geldt de ontvangstplicht;
- De baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid;
- Er hoeft niet getoetst te worden aan de kwaliteit van de ontvangende bodem;
- De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.
Figuur 9: Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.

Binnen het Besluit bodemkwaliteit is het ook mogelijk om een weilanddepot in te richten. Dit is een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie op een perceel, aangrenzend aan de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is. Dit kan gedaan worden om de baggerspecie te laten ontwateren en te laten rijpen. Wanneer er wordt voldaan aan een aantal voorwaarden hoeft hiervoor geen milieuvergunning te worden aangevraagd en hoeft de ontvangende bodemkwaliteit niet te worden getoetst. Deze voorwaarden zijn:
- de kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale Waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen;
- de opslag mag maximaal drie jaar duren;
- de opgeslagen baggerspecie moet vanuit het weilanddepot in een nuttige toepassing worden aangebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater is uitgezonderd als nuttige toepassing.
(Terug naar inhoud)
(Terug naar Besluit bodemkwaliteit)