English (United States) Nederlands (Nederland)

Wanneer moet een bodemverontreiniging gesaneerd worden en wat komt hierbij kijken?

Wanneer moet vervuilde grond gesaneerd worden?
De Wet bodembescherming (Wbb) maakt onderscheid tussen verontreinigingen die vóór of ná 1987 zijn ontstaan. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige en niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging:

Voor bodemverontreinigingen die ná 1 januari 1987 zijn ontstaan, geldt de zogenaamde ‘Zorgplicht’. Dit houdt in dat de verontreiniging, ongeacht de omvang en ernst, zo spoedig mogelijk door de veroorzaker moet worden gesaneerd (Wbb, art. 6 - 13). De aanpak van een nieuw geval van bodemverontreiniging moet worden afgestemd met het bevoegd gezag. Afhankelijk van de locatie van de verontreiniging (binnen of buiten een bedrijfsterrein) is dit de gemeente of de provincie. Op de pagina Calamiteiten en ongelukken wordt meer informatie gegeven.

Voor bodemverontreinigingen die vóór 1 januari 1987 zijn ontstaan, geldt dat sanering in beginsel alleen hoeft plaats te vinden wanneer sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (zie hieronder). Werkzaamheden op, of in, de bodem (bijvoorbeeld bouwen, graven of het onttrekken van grondwater) zijn niet toegestaan zonder instemming van het bevoegd gezag (= de provincie Utrecht) met een saneringsplan (zie hieronder).

Voor de niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging is de gemeente bevoegd gezag. Aanpak van niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging vindt vaak plaats als gevolg van maatschappelijke noodzaak (bijvoorbeeld nieuwbouw of herinrichting van een perceel). Op de pagina 'niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging' wordt meer informatie gegeven.

Wanneer is sprake van een ernstige bodemverontreiniging?
Wanneer in de grond of in het grondwater verontreinigende stoffen worden gemeten in concentraties boven de zogenaamde 'tussenwaarde', moet de omvang van de verontreiniging worden vastgesteld door middel van een Nader bodemonderzoek. De resultaten van het Nader bodemonderzoek moeten, op basis van art. 27 Wet bodembescherming (Wbb), aan het bevoegd gezag (provincie Utrecht) worden gestuurd. Vervolgens stelt de provincie in een beschikking vast of de bodemverontreiniging ernstig is, en zo ja, wanneer met een eventuele sanering moet worden gestart.

In de regel is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging bij:

  • meer dan 25 m3 grond met een gemiddelde concentratie aan verontreinigende stof(fen) boven de interventiewaarde(n), en/of
  • meer dan 100 m3 grondwater met een gemiddelde concentratie aan verontreinigende stof(fen) boven de interventiewaarde(n).

In enkele specifieke gevallen waarbij sprake is van gevoelige omstandigheden (bijvoorbeeld bij een moestuin of bij een grondwaterverontreiniging met vluchtige stoffen onder bebouwing in combinatie met een hoge grondwaterstand), kan ook bij gehalten onder de interventiewaarde sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Wanneer is een spoedige bodemsanering noodzakelijk?
Wanneer sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, moeten de humane (voor de mens), ecologische (voor plant en dier) en verspreidingsrisico’s worden berekend. De uitkomst hiervan wordt vervolgens getoetst aan het zogenaamde saneringscriterium. Het uitgangspunt daarbij is het huidige bodemgebruik (bijvoorbeeld: wonen met tuin, openbaar groen of industrie).

Bij het humane risico is de blootstelling van mensen aan de verontreiniging maatgevend. Voorbeelden zijn het eten van gewassen en het inademen van lucht. Bij het ecologische risico is het oppervlak van het gebied waarin bepaalde bodemorganismen worden aangetast maatgevend. Bij het verspreidingsrisico is de bedreiging van kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een drinkwaterwingebied) of het ontstaan van een onbeheersbare situatie maatgevend.

Wanneer sprake is van onaanvaardbare humane, ecologische of verspreidingsrisico’s, moeten deze zo snel mogelijk worden weggenomen. Als richtlijn hiervoor geldt een termijn tot 4 jaar na het afgeven van de beschikking ‘ernst en spoedeisendheid’. Het bevoegde gezag zal op basis van de locatiespecifieke situatie het precieze tijdstip vaststellen.

Voor niet-spoedeisende gevallen van ernstige bodemverontreiniging zal het bevoegde gezag geen saneringstermijn vaststellen. De aanpak van niet-spoedeisende gevallen van ernstige bodemverontreiniging kan plaatsvinden op een ‘natuurlijk’ moment (bijvoorbeeld bij nieuwbouw of herinrichting van een perceel).

Het saneringsplan
De aanpak van een geval van ernstige bodemverontreiniging is niet toegestaan zonder de instemming van de provincie met het saneringsplan. In het saneringsplan staan onder andere de begroting van de kosten, de doelstelling van de sanering, de bestemming van de verontreinigde grond, een beschrijving van de werkzaamheden en een beschrijving van de eventueel benodigde nazorg. De instemming van de provincie moet worden vastgelegd in een beschikking. In verband met de Wet Algemeen bestuursrecht moet de (ontwerp)beschikking ter inzage worden gelegd. De beschikkingsprocedure duurt daardoor 15 tot maximaal 30 weken.

Kleinschalige bodemsaneringen (BUS)
Per 14 februari 2006 is het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) van kracht geworden. Onder bepaalde voorwaarden kan binnen vijf weken na de melding worden gestart met saneren. Het BUS is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd afgerond kunnen worden. Er zijn minder onderzoekskosten en er hoeft geen saneringsplan meer te worden opgesteld. Een melding aan het bevoegd gezag Wbb via een standaard meldingsformulier volstaat.

BUS geldt vooralsnog voor de volgende specifieke gevallen:

  • kleinschalig immobiele verontreinigingen (er vindt geen tot nauwelijks verspreiding naar het grondwater plaats, bijvoorbeeld bij verontreinigingen van zware metalen en PAKs in de bovenste grondlaag);
  • kleinschalig mobiele verontreinigingen met olieproducten;
  • het tijdelijk uitplaatsen van grond (bij werkzaamheden aan kabels, leidingen etc.);
  • projectgebied De Kempen in Noord-Brabant (zinkasverontreinigingen in de grond).

Voor elke van bovengenoemde situaties gelden specifieke voorwaarden en saneringsvormen. Enkele belangrijke voorwaarden voor BUS zijn echter grotendeels gemeenschappelijk:

  • de verontreiniging mag zich niet uitstrekken buiten de perceelsgrens van de eigenaar;
  • het is niet toegestaan meer dan 500 m3 verontreinigde grond te ontgraven en af te voeren.

Datum actualisatie: 20 maart 2010